DAGEN VAN DE WEEK

 

 maandag

 dinsdag

 woensdag

 donderdag

 vrijdag

 zaterdag

 zondag

lundi

mardi

mercredi

jeudi

vendredi

samedi

dimanche

 

 ONTKENNINGEN - NE ... PAS

 

 Als je wilt zeggen dat iets niet zo is of niet gebeurt, gebruik je ne ... pas (niet, geen). Ne staat dan vóór het 

 werkwoord, pas erachter.

 

 Je n'ai pas 12 ans - Ik ben geen 12 jaar

 Je ne déteste pas acheter un CD - Ik heb geen hekel aan een CD kopen

 Il ne s'appelle pas Marc - hij heet geen Marc

 

 WERKWOORD DOEN, MAKEN - FAIRE

 

 ik doe, maak

 jij doet, maakt

 hij doet, maakt

 zij doet, maakt

 wij doen, maken

 u maakt, doet / jullie doen, maken

 zij (m) doen, maken

 zij (v) doen, maken

je fais

tu fais

il fait

elle fait

nous faisons

vous faites

ils font

elles font

 

 WERKWOORD GAAN - ALLER

 

 ik ga

 jij gaat

 hij gaat

 zij gaat

 wij gaan

 u gaat / jullie gaan

 zij (m) gaan

 zij (v) gaan

je vais

tu vas

il va

elle va

nous allons

vous allez

ils vont

elles vont

 

 REGELMATIGE WERKWOORDEN OP - ER

 

 Veel werkwoorden in het Frans eindigen op -er. Hoe vervoeg je die werkwoorden? Eerst heb je de stam nodig!

 

 STAM = hele werkwoord - er, bijvoorbeeld: travailler - er = travaill

 

 De rest van het werkwoord vervoeg je als volgt (de rode letters zijn de uitgangen):

 

 je

 tu

 il

 elle

 nous

 vous

 ils

 elles

travaille

travailles

travaille

travaille

travaillons

travaillez

travaillent

travaillent

ik werk

jij werkt

hij werkt

zij werkt

wij werken

u werkt/jullie werken

zij (m) werken

zij (v) werken

 

 BIJVOEGLIJK NAAMWOORD

 

 Als je mensen of dingen wilt beschrijven, gebruik je bijvoeglijk naamwoorden. Bijvoeglijk naamwoorden

 veranderen als je ze gebruikt om dingen of mensen te beschrijven die vrouwelijk zijn. Ze krijgen dan een e.

 

 Paul is klein

 Chantal is klein

 Hij is groot

 Zij is groot

 Het bed is klein/groot

 De kamer is klein/groot

 

Paul est petit

Chantal est petite

Il est grand

Elle est grande

Le lit est petit/grand

La chambre est petite/grande

Let op: bij sommige bijvoeglijk naamwoorden gaat het anders:

 

a. als een bijvoeglijk naamwoord al op een e eindigt, komt er niet nog een e bij.

 

    het bureau is lelijk - le bureau est moche

    de kamer is lelijk   - la chambre est moche

 

b. Bijzondere gevallen:

 

    beau wordt belle (= mooi)

  

    de wekker is mooi - le réveil est beau

    de t.v. is mooi - la télé(vision) est belle

 

 LIDWOORD NA WERKWOORDEN

 

Na werkwoorden die een voorkeur aan geven komt altijd een lidwoord voor het zelfstandig naamwoord.

 

 PRÉFÉRER (liever hebben)

 

   

 AIMER (houden van)

 

  

 ADORER (gek zijn op)

 

 

 DÉTESTER (hekel hebben aan)

Je préfère la chaise

Elle ne préfère pas la chaise

  

J'aime le chanteur

Tu n'aimes pas le chanteur

 

J'adore l'ordinateur

Il n'adore pas l'ordinateur

  

Tu détestes les séries

Il ne déteste pas les séries