Ik wil graag een kamer reserveren voor ... nachten.

 

Je voudrais réserver une chambre pour ... nuits.

 

Voor hoeveel personen?

 

Pour combien de personnes?

 

Voor ... personen.

Pour ... personnes.

Nous sommes / one est ... .

 

Met ... (zie vocabulaire).

 

Avec ... (zie vocabulaire).

 

Op welke naam? 

 

C'est à quel nom?

 

Wilt u het spellen?

Vous voulez épéler, s'il vous plaît?

 

Kunt u het spellen?

Vous pouvez épéler, sil vous plaît?

 

Hier is uw sleutel.

Voici votre clé.

 

Ik wens u een prettig verblijf in ons hotel.

Je vous souhaite un bon séjour dans notre hôtel.

 

Bedankt.

Merci.

 

Hartelijk dank.

Merci beaucoup.

 

Prettige dag!

Bonne journée!

 

    

  

  

 De onderstaande woorden zijn belangrijk bij deze situatie.

  

een douche une douche
de wc les toilettes
een bad un bain
het bezoek la visite
reserveren réserver
de reservering la réservation
mogelijk possible
een volwassene un adulte
de naam le nom
hoeveel combien (de)
een adres une adresse
de rekening la facture
sturen, zenden envoyer
een aankomst une arrivée
het vertrek le départ
het verblijf le séjour
aangenaam, prettig agréable
een eenpersoonsbed un lit d'une personne
een tweepersoonsbed un lit de deux personnes
een kinderbed un lit d'enfant
een kind un enfant
de sleutel la clé