WERKWOORD HETEN - S'APPELER

  

 ik heet

 jij heet

 hij heet

 zij heet

 wij heten

 u heet/jullie heten

 zij heten

je m'appelle

tu t'appelles

il s'appelle

elle s'appelle

nous nous appelons

vous vous appelez

ils/elles s'appellent

 

 WERKWOORD HEBBEN - AVOIR

   

 ik heb

 jij hebt

 hij heeft

 zij heeft

 wij hebben

 u heeft/jullie hebben

 zij (m) hebben

 zij (v) hebben

j'ai

tu as

il a

elle a

nous avons

vous avez

ils ont

elles ont

 

 LIDWOORD - DE, HET, EEN

  

 Voor een mannelijk woord gebruik je le of un en voor een vrouwelijk woord gebruik je la of une.

 Je kunt niet zien of een woord mannelijk of vrouwelijk is. Dit moet je leren of opzoeken in een woordenboek.

 In het woordenboek staat bij ieder zelfstandig naamwoord een (m) als het mannelijk is en een (v) als het

 vrouwelijk is.

 

 een broer - un frère

 de vader - le père

 een zus - une soeur

 de moeder - la mère

 

 ONTKENNING - NE ... PAS

 

 Als je wilt zeggen dat iets niet zo is of niet gebeurt, gebruik je ne ... pas (niet, geen). Ne staat dan vóór het 

 werkwoord, pas erachter.

 

 Je n'ai pas 12 ans - Ik ben geen 12 jaar

 Je ne déteste pas ma soeur - Ik heb geen hekel aan mijn zus

 Il ne s'appelle pas Marc - hij heet geen Marc