WERKWOORD HETEN - S'APPELER

  

 ik heet

 jij heet

 hij heet

 zij heet

 wij heten

 u heet/jullie heten

 zij heten

je m'appelle

tu t'appelles

il s'appelle

elle s'appelle

nous nous appelons

vous vous appelez

ils/elles s'appellent

 

 WERKWOORD HEBBEN - AVOIR

   

 ik heb

 jij hebt

 hij heeft

 zij heeft

 wij hebben

 u heeft/jullie hebben

 zij (m) hebben

 zij (v) hebben

j'ai

tu as

il a

elle a

nous avons

vous avez

ils ont

elles ont

 

 LIDWOORD - DE, HET, EEN

  

 Voor een mannelijk woord gebruik je le of un en voor een vrouwelijk woord gebruik je la of une.

 Je kunt niet zien of een woord mannelijk of vrouwelijk is. Dit moet je leren of opzoeken in een woordenboek.

 In het woordenboek staat bij ieder zelfstandig naamwoord een (m) als het mannelijk is en een (v) als het

 vrouwelijk is.

 

 een broer - un frère

 de vader - le père

 een zus - une soeur

 de moeder - la mère

 

 ONTKENNING - NE ... PAS

 

 Als je wilt zeggen dat iets niet zo is of niet gebeurt, gebruik je ne ... pas (niet, geen). Ne staat dan vóór het 

 werkwoord, pas erachter.

 

 Je n'ai pas 12 ans - Ik ben geen 12 jaar

 Je ne déteste pas ma soeur - Ik heb geen hekel aan mijn zus

 Il ne s'appelle pas Marc - hij heet geen Marc

 

 BIJVOEGLIJK NAAMWOORD

 

 Enkele grammaticale termen:

 

 zelfstandig naamwoord:

 Daar kun je altijd de, het of een (le, la, l’, les, un, une of des) voor zetten.

 

 bijvoegelijk naamwoord:

 Zegt iets over het zelfstandig naamwoord, bijv.groot/klein (grand/petit).

 

 Voorbeeld:   

 Ik heb een groene fiets         groene   = bijvoeglijk naamwoord

 J’ai un vélo vert                    vert        = bijvoeglijk naamwoord

 

 In het Frans letten we bij het bijvoeglijk naamwoord op:

 A.        DE PLAATS

 B.        DE VORM     

 

 A.   DE PLAATS

 

 Regel:

 - Het bijvoeglijk naamwoord staat altijd achter het zelfstandig

   naamwoord. Behalve de volgende die er altijd voor staan:

 

  - bon          - grand         - jeune

  - beau        - gros           - vieux         

  - joli           - petit           - nouveau    

 

 Voorbeelden:

 - Un bon gâteau.                         - Mon petit velo.

 - Mon vieux pantalon.                  - Le beau temps.

 - Un jeune garçon.                      - Un gros monsieur.

       

 B:   DE VORM

 

 Regel:

 

 - Het bijvoeglijk naamwoord past zich aan het zelfstandig naamwoord:

   Als het zelfstandig naamwoord mannelijk is dan moet het bijvoeglijk naamwoord  

   ook in de mannelijke vorm worden gezet. De uitgangen worden dan als volgt:

 

   Vrouwelijk        enkelvoud          ->      -e

   Mannelijk         enkelvoud          ->       -

   Mannelijk         meervoud          ->       - s

   Vrouwelijk        meervoud          ->      -es

 

 Voorbeelden:

 - Een rode appel.      ->      Une pomme verte.

                                         want “pomme” is vrouwelijk

 

 - De grote hond.       ->      Le grand chien.                

                                         want “chien” is mannelijk

 

 groen = vert                  grand = groot

 -verte   (v)                    -grande   (v)

 -vert    (m)                    -grand     (m)

 -verts   (mmv)               -grands   (mmv)

 -vertes  (vmv)               -grandes  (vmv)

 

 Let op de volgende uitzonderingen:

 

 vieux = oud          beau = mooi          nouveau = nieuw

 -vieille   (v)             -belle    (v)              -nouvelle     (v)

 -vieux   (m)            -beau    (m)             -nouveau    (m)

 -vieil     (m*         -bel       (m*)           -nouvel       (m*)

 -vieux   (mmv)        -beaux  (mmv)        -nouveaux   (mmv)

 -vieilles (vmv)         -belles   (vmv)         -nouvelles   (vmv)