|
Eerst
een stukje herhalen. Om het delend lidwoord te
kennen, heb je de lidwoorden nodig.
LE
(enkelvoud, mannelijk)
LA
(enkelvoud, vrouwelijk)
L'
(enkelvoud, mannelijk en vrouwelijk, als het woord
erna begint met een klinker of stomme h)
LES
(meervoud, mannelijk en vrouwelijk)
De
vertaling van deze vier is de of het.
Dan
kun je het delend lidwoord aanpakken. Daar heb je er
vier van:
de
+ le = DU
de
+ la = DE
LA
de
+ l' = DE
L'
de
+ les = DES
Wanneer
gebruik je ze? Dat kan op twee momenten:
1.
in de betekenis van: van de of van het
2.
als er geen hoeveelheid van het
zelfstandig naamwoord erna wordt gegeven en
2.
als je in het Nederlands geen lidwoord hoort
staan voor het zelfstandig naamwoord
Voorbeelden:
Hier
is de kamer van de broer.
Voici
la chambre du frère. -> als vertaling
van: van de of van het
Ik
heb zussen.
J'ai
des soeurs. -> je hoort geen
lidwoord voor zussen staan in het Nederlands |